Een website-beheerder die via een broker als zelfstandig ondernemer werkte, eist een arbeidsovereenkomst op als de opdracht wordt stopgezet. Volgens hem is de broker ertussen geschoven als een papieren constructie en is hij feitelijk werknemer. Bij de rechter krijgt hij de deksel op zijn neus.
De man eist een arbeidsovereenkomst bij de rechter
Per 1 februari is de overeenkomst niet meer verlengd. De medewerker stapt daarop naar de rechter. Hij claimt dat er van 1 juni 2010 tot 1 februari 2025 een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, waarbij de broker vanaf 1 februari 2024 de rechtsopvolger is van De Unie. Als argument voert de man aan dat hij als zzp’er hetzelfde werk deed als daarvoor. Het feit dat er een broker is tussengeschoven noemt hij ‘een papieren werkelijkheid’.
Hij verzoekt de rechter om De Unie dan wel de broker te veroordelen tot betaling van:
- de wettelijke transitievergoeding
- de gefixeerde schadevergoeding vanwege de niet juiste toegepaste opzegtermijn
- 8% vakantiegeld en 13% IKB over de vergoeding van de periode 1 april 2020 tot en met 1 februari 2025
- de billijke vergoeding van € 180.000 bruto
- de wettelijke rente over deze vergoedingen
Conclusie
Al met al komt de rechter tot de conclusie dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst met De Unie, en evenmin met de broker. De man moet zowel aan De Unie als aan de broker € 1221 proceskosten betalen.